• speel·vo·gel

de speelvogel m

  1. weinig ernstig persoon die steeds weer nieuwe dingen bedenkt om zich te vermaken
    • Bijna iedereen had medelijden met de clown van het peloton, de speelvogel die in 1991 wegens een rugblessure met wielerpensioen ging. [1]
64 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[2]