Naar inhoud springen

koninkrijk

Uit WikiWoordenboek
  • ko·nink·rijk
enkelvoud meervoud
naamwoord koninkrijk koninkrijken
verkleinwoord koninkrijkje koninkrijkjes

het koninkrijk o

  1. (regering)(adel) staatsvorm met een koning aan het hoofd
    ▸ Wat kon een rijke koopmanszoon bewegen ter wille van een verschoppelingetje honderden mijlen af te leggen? Ze trokken verder, door Umbrië en kwamen in het koninkrijk Sicilië, dat bijna half Italië besloeg.[1]
  2. (biologie) taxonomische rang
  3. (religie) het koninkrijk gods: de hemel
    ▸ Maar wat deed de Servische-orthodoxe kerk? Zij presenteerde prins Lazar niet als een verliezer, maar als een grote held, want hij had na een bericht van God gebracht door een grijze valk gekozen voor een hemels koninkrijk en dus niet voor een werelds koninkTijk.[2]
98 %van de Nederlanders;
96 %van de Vlamingen.[3]