Associatie van gewone dophei
| Associatie van gewone dophei | ||||||
|---|---|---|---|---|---|---|
| Zomeraspect van de associatie | ||||||
| Syntaxonomische indeling | ||||||
| ||||||
| Associatie | ||||||
| Ericetum tetralicis Allorge 1922 | ||||||
| Afbeeldingen op |
De associatie van gewone dophei (Ericetum tetralicis) is een associatie uit het dophei-verbond (Ericion tetralicis). De associatie betreft de centrale associatie binnen het bovenliggende verbond.
Naamgeving en codering
[bewerken | brontekst bewerken]| Synoniemen | ||
|---|---|---|
| Campylopo-Ericetum tetralicis Birse & Robertson 1976 | ||
- Natura2000-habitattypecode: (EU-code): H4010A
- Syntaxoncode voor Nederland (rVvN): r11Aa02
- BWK-karteringscodes: ce, ces
De wetenschappelijke naam Ericetum tetralicis is afgeleid van de botanische naam van gewone dophei (Erica tetralix).
Fysiognomie
[bewerken | brontekst bewerken]
De associatie van gewone dophei wordt fysiognomisch vooral gekenmerkt door de dominantie van gewone dophei, die in hoge mate het vegetatieaspect bepaalt. De associatie manifesteert zich altijd in de formatie van een dwergstruweel. Een struik- en boomlaag zijn in de regel afwezig. De kruidlaag wordt gedomineerd door dwergstruiken, zoals gewone dophei zelf. Verder zijn er altijd wel wat pollen van graminoïden aanwezig. Soms is ook beenbreek (Narthecium ossifragum) opvallend veel in de kruidlaag aanwezig. De moslaag is bijzonder goed ontwikkeld en bestaat uit bladmossen, waaronder verschillende veenmossen, en lichenen.
Waar het terrein droger wordt, kan de associatie van gewone dophei geleidelijk overgaan in de associatie van struikhei en stekelbrem. Op die plaatsen komen dophei en struikhei naast elkaar voor. Dikwijls zijn dit ook de plaatsen waar beide soorten het best floreren.
Ecologie
[bewerken | brontekst bewerken]De associatie van gewone dophei kan worden aangetroffen op vochtige tot natte, oligotrofe zandgronden in de heide, voornamelijk rond vennen en laagten in het terrein, soms heel lokaal in kleine depressies. Het grondwaterpeil is hoog en weinig wisselend. In de winter kan het peil zelfs hoger staan dan het maaiveld en is de bodem volledig met water verzadigd.
Deze associatie is op lange termijn enkel stabiel op de oevers van vennen en langs de rand van het hoogveen. Op andere plaatsen wordt zij op den duur verdrongen door bos. De meeste dopheidevegetaties zijn dus niet natuurlijk, zij worden al vanaf de middeleeuwen in stand gehouden door de mens, door het kappen van het bos en het afplaggen van de bodem.
Subassociaties in Nederland en Vlaanderen
[bewerken | brontekst bewerken]Binnen de associatie van gewone dophei worden in Nederland en Vlaanderen vijf subassociaties onderscheiden. Deze worden hieronder besproken.
Subassociatie met veenmos
[bewerken | brontekst bewerken]Een subassociatie met veenmos (Ericetum tetralicis sphagnetosum) vertegenwoordigt de meest hoogveenachtige vleugel van de associatie. Het buigt af naar het hoogveenmos-verbond, in het bijzonder de associatie van gewone dophei en veenmos. De subassociatie komt onder andere voor op niet-levend, ten dele afgegraven, eertijds voor de veenbrandcultuur gebruikte hoogvenen. Verder kan het worden aangetroffen op overgangen van natte heideterreinen naar hoogvenen, in depressies binnen natte heiden en heel soms ook langs zure vennen. Differentiërende taxa voor deze subassociatie zijn lavendelhei, eenarig wollegras, kleine veenbes, glanzend maanmos, veendubbeltjesmos en wrattig veenmos. Zwak differentiërend zijn verder waterveenmos, hoogveenveenmos en week veenmos. In de literatuur wordt binnen de subassociatie met veenmossen vaak een naar beenbreek genoemde variant onderscheiden. De laatstgenoemde variant heeft binnen de subassociatie nog het meest een minerotrafent karakter en komt voor op standplaatsen met een laterale grondwaterstroming. De syntaxoncode (conform de rVvN) voor de subassociatie met veenmos is r11Aa02a.
Subassociatie met bosbes
[bewerken | brontekst bewerken]Een subassociatie met bosbes (Ericetum tetralicis vaccinietosum) komt vooral voor op standplaatsen aan de voet van noordelijk geëxponeerde stuifduinhellingen met afstromend water. Dit syntaxon is floristisch licht verwant aan de associatie van struikhei en bosbes. Differentiërende taxa voor deze subassociatie zijn rode bosbes, blauwe bosbes, moerasbuidelmos, gewoon maanmos, kussentjesmos en rood veenmos. De syntaxoncode (conform de rVvN) voor de subassociatie met bosbes is r11Aa02b.
Typische subassociatie
[bewerken | brontekst bewerken]De typische subassociatie (Ericetum tetralicis typicum) is vooral negatief gekenmerkt. Trekrus kan in deze subassociatie faciësvormend optreden. Een grote bijzonderheid is kortharig kronkelsteeltje, die in pionierachtige vormen van de typische subassociatie soms op de voorgrond kan treden in de moslaag. De syntaxoncode (conform de rVvN) voor de typische subassociatie is r11Aa02c.
Subassociatie met korstmossen
[bewerken | brontekst bewerken]Een subassociatie met korstmossen (Ericetum tetralicis cladonietosum) kan tot ontwikkeling komen op iets drogere en iets humusarmere bodems, waarbij de kruidlaag (de dwergstruiklaag) open is. Deze situatie komt bijvoorbeeld voor wanneer gewone dophei het moeilijk heeft gehad door externe factoren zoals een insectenplaag, plagwerkzaamheden of verdrinking tijdens natte winters. Korstmossen zijn in deze open dwergstruwelen in hoge mate aspectbepalend. Differentiërende taxa voor deze subassociatie zijn pilzegge, gebogen rendiermos, varkenspootje, girafje en wollige bisschopsmuts. Verder hebben rode heidelucifer, bruin heidestaartje, hamerblaadje, breekblaadje en het zeer zeldzame doornig heidestaartje binnen de associatie hun optimum in deze subassociatie. De syntaxoncode (conform de rVvN) voor de subassociatie met korstmossen is r11Aa02d.
Subassociatie met gevlekte orchis
[bewerken | brontekst bewerken]Een subassociatie met gevlekte orchis (Ericetum tetralicis orchietosum) vertegenwoordigt de heischrale vleugel binnen de associatie van gewone dophei. Het buigt af naar het verbond van heischrale graslanden, in het bijzonder de associatie van klokjesgentiaan en borstelgras. Tevens is er ook een opmerkelijke verwantschap met de subassociatie met borstelgras van het blauwgrasland. De subassociatie met gevlekte orchis komt tot ontwikkeling op leemhoudende zandgronden en verzuurde leemgronden. Differentiërende taxa zijn gevlekte orchis, heidekartelblad, liggende vleugeltjesbloem, tandjesgras, welriekende nachtorchis, blauwe knoop, tormentil en gerimpeld gaffeltandmos. Zwak differentiërend zijn klokjesgentiaan en blauwe zegge. De syntaxoncode (conform de rVvN) voor de subassociatie met gevlekte orchis is r11Aa02e.
Biogeografie
[bewerken | brontekst bewerken]Het verspreidingsgebied van de associatie van gewone dophei strekt zich uit over de atlantische provincie: de kuststrook van West-Europa, Groot-Brittannië en Ierland. Het is een typische vegetatie die zich thuis voelt in streken met een maritiem klimaat, met hoge luchtvochtigheid, niet te warme zomers en geen strenge winters.
In Vlaanderen komt de associatie voor in de heidegebieden van de Antwerpse Kempen (onder andere in de Kalmthoutse Heide in Kalmthout, het Groot Schietveld in Brasschaat en het Turnhouts Vennengebied), en in Limburg (onder andere in de Hoge Kempen).
Diagnostische taxa voor Nederland en Vlaanderen
[bewerken | brontekst bewerken]In de onderstaande synoptische tabel staan per vegetatielaag de belangrijkste diagnostische taxa voor de associatie van gewone dophei in Nederland en Vlaanderen.
| Diagnostisch taxon | Diff.soort | Abundantie | Triviale naam | Botanische naam | Opmerking |
|---|---|---|---|---|---|
| kK | D | gewone dophei | Erica tetralix | ||
| kV | dS | O | lavendelhei | Andromeda polifolia | subassociatie met veenmossen |
| kA | A/F | veenbies | Scirpus cespitosus | ||
| kV | A/F | trekrus | Juncus squarrosus | ||
| kK | A/F | beenbreek | Narthecium ossifragum | ||
| kK | F/O | ronde zonnedauw | Drosera rotundifolia | ||
| dV | F | blauwe zegge | Carex panicea | ||
| dV | Z | klokjesgentiaan | Gentiana pneumonanthe | ||
| D/O | pijpenstrootje | Molinia caerulea | |||
| dS | pilzegge | Carex pilulifera | subassociatie met korstmossen | ||
| dS | F/O | eenarig wollegras | Eriophorum vaginatum | subassociatie met veenmossen | |
| dS | F/O | kleine veenbes | Vaccinium oxycoccos | subassociatie met veenmossen | |
| dS | O | gevlekte orchis | Dactylorhiza maculata | subassociatie met gevlekte orchis | |
| dS | O | heidekartelblad | Pedicularis sylvatica | subassociatie met gevlekte orchis | |
| dS | O | liggende vleugeltjesbloem | Polygala serpyllifolia | subassociatie met gevlekte orchis |
| Diagnostisch taxon | Diff.soort | Abundantie | Triviale naam | Botanische naam | Opmerking |
|---|---|---|---|---|---|
| kA | F | goudklauwtjesmos | Hypnum imponens | ||
| kA | A/F | kussentjesveenmos | Sphagnum compactum | ||
| kA | A/F | zacht veenmos | Sphagnum tenellum | ||
| kV | A/F | broedkelkje | Gymnocolea inflata | ||
| kK | A/F | roodviltmos | Aulacomnium palustre | ||
| dV | F/O | slank veenmos | Sphagnum recurvum | ||
| dS | gebogen rendiermos | Cladonia arbuscula | subassociatie met korstmossen | ||
| dS | Cladonia spp. | subassociatie met korstmossen |
| Diagnostisch taxon | Diff.soort | Abundantie | Triviale naam | Botanische naam | Opmerking |
|---|---|---|---|---|---|
| kV | A/F | paars heideviltwier | Zygogonium ericetorum |
Fauna
[bewerken | brontekst bewerken]De natte heide is vooral interessant voor amfibieën zoals de heikikker (Rana arvalis), de bruine kikker (Rana temporaria) en de rugstreeppad (Epidalea calamita).
Ook reptielen als de levendbarende hagedis (Zootoca vivipara) en de adder (Vipera berus) hebben een voorkeur voor vochtige heide.
Verder vormt de vochtige heide een ideale biotoop voor allerlei insecten. Zo is de klokjesgentiaan een waardplant voor het gentiaanblauwtje (Maculinea alcon), die de eitjes afzet op de ongeopende bloemen. Het zeldzame heideblauwtje (Plebeius argus) komt enkel op dopheidevegetaties voor.
Bedreiging en bescherming
[bewerken | brontekst bewerken]De meeste begroeiingen van de associatie van gewone dophei zijn geen climaxvegetatie en vragen dus regelmatig beheersmaatregelen om te blijven bestaan, zo niet treedt vrij snel verstruweling en verbossing op. De verwaarlozing van dit beheer is een eerste belangrijke bedreiging.
Een tweede bedreiging is verdroging door de continue of regelmatige verlaging van de grondwaterspiegel, door het oppompen van grondwater als drinkwater of voor de landbouw, of door klimaatwijzigingen. Ontwatering leidt meestal tot vergrassing van de heide en een dominantie van pijpenstrootje.
De derde belangrijke bedreiging is de overbemesting van de heide door nabijgelegen landbouwgronden en door atmosferische stikstofdepositie. Ook hier zal een verhoogd voedselaanbod leiden tot vergrassing, met pijpenstrootje als de voornaamste overblijver.
Voor de instandhouding van de associatie van gewone dophei zijn twee typen beheersmaatregelen nodig:
- de beheersing van de grondwaterstand door waterbouwkundige maatregelen;
- het tegengaan van de verbossing en de eutrofiëring door verschillende ingrepen zoals het kappen van de boomopslag, regelmatig maaien van de kruidlaag en/of het plaggen van de toplaag van de bodem.
Indien goed uitgevoerd, zal binnen enkele jaren na het plaggen de dopheidevegetatie terug herstellen, met als mogelijke (interessante) tussenstap de associatie van moeraswolfsklauw en snavelbies.
Fotogalerij
[bewerken | brontekst bewerken]- Zomeraspect
- Winteraspect
- Subassociatie met veenmossen
- Close-up van een lenteaspect, hier met veenbies in bloei.